Het Hipper Platform

Het Hipper Platform bestaat uit een behandelprotocol voor cliënten binnen de geriatrische revalidatie, een sensorsysteem, scholing en een helpdeskfunctie. In dit behandelprotocol wordt gebruik gemaakt van sensortechnologie. De cliënten dragen een activiteitenmonitor (PAM-sensor) en met deze sensor kan gemeten worden hoe actief cliënten zijn. Na ontslag blijft de client nog een tijdje de PAM dragen totdat de revalidatie thuis is afgelopen, op verzoek kunnen bij revalidanten in de thuissituatie omgevingssensoren worden geplaatst, deze sensoren meten waar de cliënt zich bevindt en of ze actief zijn geweest. Deze gegevens zijn inzichtelijk voor de zorgprofessional en cliënt en worden gebruikt in de behandeling.

Sensorsysteem

In het behandelprotocol wordt gebruik gemaakt van twee soorten sensoren, een draagbare sensor en omgevingssensoren. De draagbare sensor die gebruikt wordt is de ‘physical activity monitor’ de PAM-sensor. Deze PAM-sensor registreert de hoeveelheid van bewegen en geeft inzicht in de intensiteit van bewegen gedurende de dag. De PAM sensor wordt vanaf de opname in de revalidatieinstelling gedragen door de cliënt.  
 
Na ontslag kunnen bij revalidanten naast het dragen van de PAM ook enkele omgevingssensoren in huis geplaatst worden wanneer de cliënt verder revalideert in de thuissituatie. De omgevingssensoren brengen in kaart waar iemand zich bevindt en hoe actief hij in die ruimte is. Samen met de PAM-sensor kan dan een inschatting gemaakt worden wat de cliënt doet en hoe intensief dit is.  In de revalidatie woordt meestal alleen gebruik gemaakt van de PAM sensor. De omgevingssensoren zijn vooral behulpzaam bij revalidanten die meer inzicht willen hebben in activiteiten thuis bijvoorbeeld bij revalidanten met verminderde cognitie, of revalidanten met vermoeidheid waarbij balans in dagelijkse activiteiten van belang is.
 
Mogelijkheden van het systeem zijn:

  • De zorgprofessional kan de gegevens van de sensoren van de cliënt bekijken op een beveiligde website.  
  • De cliënt kan ook zelf naar de gegevens bekijken op een tablet.  

Protocol

Het protocol maakt onderscheid in drie fases tijdens de revalidatieperiode; de fase van intake, klinische revalidatie en thuis revalidatie. Vanuit de praktijk en literatuur blijkt dat er in de revalidatie-instelling een onderscheid wordt gemaakt tussen een kort en lang revalidatietraject. De keuze voor één van beide trajecten wordt meestal na twee weken bepaald door de zorgprofessionals. In beide trajecten is er een periode van een intakefase en een klinische revalidatie voordat de cliënten naar huis gaan. Vanaf het moment van opname in de intakefase in de revalidatieinstelling draagt de cliënt de PAM-sensor zodat er meteen gemeten wordt hoe actief de cliënt is. Door de diversiteit in trajecten per cliënt is het verloop in de drie fasen per cliënt verschillend. Daarom, is het aan de zorgprofessional zelf om te bepalen in welke fase de cliënt zich bevindt. 

In dit behandel protocol wordt de relatie tussen de zorgprofessional en de cliënt gekenmerkt door een ‘shared decision making’ benadering. In deze benadering vormen kennis en informatie vanuit de zorgprofessional, cliënt en het sensorsysteem samen de basis voor de keuzes die de cliënt maakt ten aanzien van zijn revalidatieproces.  
 
In de drie fases van het protocol verandert de rol van de zorgprofessional van (gelijkwaardig) partner/expert naar facilitator van het proces van de cliënt. Dit betekent dat de begeleidende rol van de zorgprofessional afneemt en de rol en inbreng van de cliënt steeds groter wordt ten aanzien van de gemaakte behandelkeuzes gedurende de revalidatie. Wanneer de cliënt naar huis gaat is de rol van de zorgprofessional steeds geringer en kan de cliënt grotendeels zelf zijn activiteiten monitoren aan de hand van het sensorsysteem. Dit alles met het uiteindelijke doel om zelfstandig thuis te kunnen functioneren. 

Het 5a-model in het behandelprotocol

Het aansluiten bij de verandering die de cliënten doormaken vraagt een methodische en cyclische aanpak, het 5Amodel wordt hiervoor gebruikt. Dit model dient als kapstok voor hoe de zorgprofessional handelt. In iedere fase (intake, klinische revalidatie en thuissituatie) vindt er een terugkerend proces plaats volgens de vijf A’s. Samen met de zorgprofessionals uit de revalidatieinstellingen is de inhoud van de vijf A’s bepaald specifiek voor dit revalidatietraject.  
 
Het doel van het 5A-model is om samen met de cliënt een cliënt specifiek behandelplan te ontwikkelen. Dit behandelplan bestaat uit functionele doelen en omvat ook strategieën om deze doelen te bereiken en met barrières om te gaan. Dit model biedt handvaten aan het revalidatieproces en sluit goed aan bij de dagelijkse praktijk en bestaat uit vijf stappen (5A’s):  

  1. Achterhalen: In deze stap neemt de zorgprofessional de klinimetrie af en probeert zo zicht te krijgen op hoe het functioneren van de cliënt op dat moment is en hoe het was voor de operatie. De zorgprofessional brengt de belastingadviezen van de orthopeed in kaart en bespreekt deze met de cliënt. Tegelijkertijd wordt door middel van het sensorsysteem inzicht verkregen in het huidige activiteitenniveau van de cliënt. Ook achterhaalt de zorgprofessional de wensen en vragen van de cliënt en bespreekt de zorgprofessional met de cliënt welke doelen en hulpvraag hij heeft voor de revalidatie.
  2. Adviseren: In deze stap analyseert de zorgprofessional samen met de cliënt de verbanden tussen de objectieve gegevens uit de assessments, de sensordata en de beleving van de cliënt over het huidig functioneren. Dit kan een verklaring geven voor de beleefde pijn, vermoeidheid, belasting en valangst. Door het inzichtelijk maken van deze verbanden krijgt de cliënt inzicht in zijn situatie en kan de zorgprofessional de cliënt advies op maat geven.  
  3. Afspreken: In deze stap ondersteunt de zorgprofessional de cliënt om op basis van eerder genoemde verbanden en wensen haalbare doelen te stellen. Op basis van deze doelen wordt in samenspraak met de cliënt een revalidatieplan opgesteld.  
  4. Assisteren: In deze stap ondersteunt de zorgprofessional de cliënt in het oplossen van (mogelijke) problemen bij het behalen van de doelen. Daarnaast assisteert de zorgprofessional de cliënt bij het omgaan met barrières en inventariseert behoeften aan extra ondersteuning en/of aanvullende zorg. De sensormonitoring kan hierbij een motiverende werking hebben om activiteiten uit te voeren/vol te houden.
  5. Arrangeren: In deze stap stelt de zorgprofessional in samenspraak met de cliënt een plan op hoe de cliënt verder kan werken aan gestelde doelen en welke ondersteuning er georganiseerd moet worden.  

Coaching

De ‘shared decision’ benadering en het 5A-model hebben invloed op de manier waarop de zorgprofessional contact heeft met de cliënt. De informatie uit het sensorsysteem is de input voor het gesprek met de cliënt waarbij gebruik wordt gemaakt van de gesprekstechniek ‘motivational interviewing’. Met deze gesprekstechniek helpt de zorgprofessional de cliënt ambivalenties te herkennen, met als doel de cliënt letterlijk en figuurlijk in beweging te laten komen. Kenmerkend voor deze techniek is dat de cliënt inzicht krijgt in een gezonde balans tussen belasting en belastbaarheid en dat deze de cliënt ondersteunt in het maken van kleine stappen richting zelfstandig thuis wonen. Om dit te bereiken waardeert de zorgprofessional elke aanzet tot activiteiten die de cliënt zelf al heeft ondernomen en heeft de zorgprofessional begrip voor de zienswijze van de cliënt. Op deze manier komen de cliënt en de zorgprofessional samen tot strategieën om om te gaan met barrières in activiteiten van het dagelijks leven. De gesprekstechniek is er dus op gericht om deze strategieën en barrières inzichtelijk te maken waarbij het sensorsysteem ondersteuning biedt. Hoe deze gesprekstechniek specifiek toe te passen bij deze doelgroep met het sensorsysteem wordt aangeleerd in de bijbehorende post-HBO cursus. 

Inhoudelijke thema’s behandelprotocol

In het gehele traject wordt er een onderscheid gemaakt in drie verschillende thema’s, te herkennen aan de verschillende kleuren in het protocol. De drie verschillende thema’s worden hieronder kort uitgelegd en zijn:

  1. Inzichtelijk maken: Het thema inzichtelijk maken bevat de verschillende inzichten voor zowel cliënt als de zorgprofessional. Deze inzichten worden verkregen door informatie uit klinimetrie, gesprekken en het sensorsysteem. De achterliggende gedachte van zelfmanagement wordt ondersteund door de cliënt goed te informeren zodat de cliënt en de zorgprofessional samen in gesprek kunnen gaan over wensen, behoeftes en huidig functioneren van de cliënt. Het doel is dat de cliënt uiteindelijk zelf in staat is om revalidatiekeuzes af te wegen en beslissingen te nemen. 
  2. Behandelplan: Het thema behandelplan geeft de cyclus aan waarin nieuwe plannen gemaakt worden en op welke momenten deze worden geëvalueerd en bijgesteld. Voor zowel de cliënt als de zorgprofessional is het belangrijk om een gezamenlijk specifiek behandelplan op te stellen. Op deze manier weten ze beide wat er nodig is voordat de cliënt naar huis kan en hoe hij daaraan werkt in de revalidatie. In dit behandelplan worden SMART-doelen geformuleerd gericht op functioneel herstel. Informatie van het thema ‘inzichtelijk maken’ is nodig om het behandelplan af te stemmen op de beginsituatie van de cliënt.
  3. Behandelfocus:  Bij het thema behandelfocus staan de onderwerpen die specifiek van toepassing zijn bij deze doelgroep. Onderwerpen die hierin naar voren komen zijn: het gebruik van hulpmiddelen, valangst, persoonlijke effectiviteit en zelfvertrouwen.